Albertinum

Monumentum mortuorum Monumentum mortuorum
Heyendaalseweg 121

Dit gedachtenismonument voor overleden dominicanen ligt in een van de hoeken van de kloostergang van het Albertinum. Het bestaat uit twee wandvullende keramische reliëfs en uit twee kleinere reliëfs in de hoogvelden boven de deuren naar de kloostervleugels. Maris heeft zijn keramische reliëfs geglazuurd met een spectrum van ingehouden grijze en zachtblauwe kleuren die harmoniëren met de tinten van de stenen muren, de plinten en de vloertegels.
De reliëfs hebben als onderwerp de wederkomst van Christus aan het einde der tijden en het binnengaan van de zielen in het hemelse Jeruzalem, zoals Johannes de evangelist dit beschrijft in zijn Apokalyps.

In de twee hoogvelden (afb. 1 en 2) zien we twee paar engelen die de trompet steken om de rampen aan te kondigen waar het einde der tijden mee gepaard zou gaan (Apok 8, 7-12).

Het eerste grote reliëf links toont het verschijnen van de ziel voor Christus (afb. 3 en 3a). Het is geïnspireerd door het begin van de Apokalyps waarin Johannes schrijft: Toen ik Hem zag viel ik als dood voor Zijn voeten. Maar Hij legde zijn rechterhand op mij en sprak: "Vrees niet. Ik ben het, de eerste en de laatste, de levende" (Apok 1,17). De Latijnse tekst lezen we in de voorstelling: Noli timere: ego sum primus, et novissimus, et vivus.
Onder de voorstelling zien we een wijnstok waarvan de vruchtdragende ranken als ronde omlijsting doorlopen. Die verwijzen naar de woorden van Christus: Ik ben de wijnstok en gij de ranken. Wie in Mij blijft, zoals ik in hem, die draagt veel vrucht, want los van mij kunt gij niets (Joh 15,5). De ranken hier dragen rijkelijk vrucht, de overledenen, verbeeld door de engelenkopjes (afb. 3b) rond de voorstelling, kunnen dus onbevreesd voor de Heer verschijnen. Mogelijk ook verwijzen de kopjes rond het fries naar de versregels: Ik zag de zielen van hen die onthoofd waren om het getuigenis van Jezus en het woord van God (Apok 20,4).

Het tweede grote reliëf sluit door zijn betekenis daarbij aan (afb. 4). Het toont de ontvangst van de ziel in het hemelse Jeruzalem. Christus, herkenbaar aan de stigmata in handen en voeten (afb. 4a), spreidt de armen in een welkomstgebaar, het hemelse Jeruzalem is geschetst met een decor van bouwsels achter hem. Rondom de cirkelvormige voorstelling loopt een fries met tien engelen die de openstaande poorten (afb. 4b) bewaken (Apok 21,12). Volgens de Apokalyps zijn er weliswaar 12 poorten, en er zijn in het fries ook twee open plaatsen voor de twee ontbrekende toegangspoorten, maar om voor ons onbekende redenen zijn die niet aanwezig. Mogelijk zijn ze al beschadigd bij het aanbrengen van het reliëf en toen niet meer geplaatst. In de voorstelling lezen we de woorden: Ego sum alpha et omega primus et novissimus principium et finis: Ik ben de Alfa en de Omega, de eerste en de laatste, de oorsprong en het einde (Apok 21, 6 en 22,13).
Onder de voorstelling stroomt water. Dat is de rivier met het water des levens, die ontwelde aan de troon van God en van het Lam (Apok 22, 1-2).

Maris kreeg de opdracht in 1949. Een jaar later ontwierp hij ook gietijzeren decoraties voor het claustrum, waarvan één studietekening is bewaard in ons museum.

Bron: Leo Ewals - Het Monumentum mortuorum van Jac Maris in het Albertinum, in: Numaga - Nijmeegs Katern, jaargang 24, nr 1 (februari 2010), p. 8-11

Studietekening, ges. ged. 1950 (D-001)

Afbeelding 1
Afbeelding 3
Afbeelding 3a
Afbeelding 4a
Afbeelding 2
Afbeelding 4
Afbeelding 3b
Afbeelding 4b
Bel ons